De fiets

De fiets, het pronkstuk van Nederland, een eeuwenoud vervoersmiddel. Fietsen is iets wat ik vroeger, zo’n 16 jaar geleden, elke dag deed. Van huis naar school en weer terug. Pakweg 30 minuten fietsen heen en ook weer terug. Met een beetje onmazzel had ik twee keer wind tegen, want hij draaide altijd. Als ik wind mee had, draaide de wind overigens nooit. Zo’n gegeven dat wetenschappelijk nog nooit bewezen is, maar ik ben ervan overtuigd dat mijn dubbele-wind-tegen-theorie klopt.

Met een hele club fietste ik naar school, dus de tijd vloog voorbij en het was altijd gezellig. We hebben wat valpartijen meegemaakt omdat we net te dicht op elkaar fietsten of het glad was van de ijzel. Dit leverde enorme lachbuien op en briefjes halen bij mevrouw Rijkelijkhuizen omdat we dan te laat waren op school. Toen ik 16 jaar werd kreeg ik een scooter. Een Yamaha Neos, een blauwe. Vanaf dat moment werd mijn fiets minder interessant. Ik scooterde overal naartoe. Met 18 jaar werd dit de auto. Ik bleef mijn scooter nog veel gebruiken want ik had geen eigen auto dus was afhankelijk van mijn ouders.

Op mijn 19e verjaardag kreeg ik een kanariegele Fiat Cinquecento. Hier heb ik heel wat kilometers in gereden. Ik sjeesde er overal mee naartoe. Zelfs een keer naar Duitsland voor een weekend weg van mijn studie Duits toentertijd en een weekendje naar Maastricht met een vriendin. Ik reed eigenlijk altijd auto. Ik had wel een fiets maar die werd gestolen. Bij mijn tweede huis werd mijn Cinquecentootje verruild voor een Ford Ka. Hier heb ik tot een maand geleden met veel plezier in gereden. Toen ik verhuisde naar de binnenstad van Haarlem leek mij een fiets wel weer op zijn plaats. Ik kon de fiets alleen niet binnen stallen, dus ook die werd gejat. Net als fiets twee die ik er neerzette.

Lees de rest van dit artikel »